Selecteer een pagina

 

Hopen op nieuwe wet

Uit: Schoolfacilities nr3 2018-2019.

De politiek buigt zich over een wetsvoorstel om makkelijker nieuwe scholen op te richten. “Ik wacht tot de nieuwe wet er is. Anders wordt mijn aanvraag gewoon afgewezen.”

Het onderwijs moet en kan anders, vond interim-schoolleider Minke Knol. Kleine klassen, leren door doen, onderwijs dat ook bestaat uit persoonsvorming en creatieve vakken. Ze besloot een nieuwe school op te richten: het Erasmus College Rivierenland, voor leerlingen van vier tot achttien jaar. Maar drie jaar later bestaat de school nog niet: haar voorstel werd afgewezen. “Het is nu onmogelijk om een nieuwe school op te richten”, zegt ze. “Ik wacht tot de nieuwe wet aangenomen wordt.”

Het Wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ moet het makkelijker maken om bekostigde scholen in het basis- en voortgezet onderwijs op te richten. Op dit moment wordt per ‘richting’ gekeken of een school al bestaat. In de Grondwet staat immers: ‘vrijheid van richting in het onderwijs’. Het is een probleem voor scholen met een pedagogisch of onderwijskundig concept, zoals die van Minke Knol: zij vallen nu allemaal binnen dezelfde richting ‘algemeen-bijzonder’. Dat betekent dat als er bijvoorbeeld al een Montessorischool in de gemeente staat, het vrijwel onmogelijk is een Jenaplanschool te beginnen.

“Onlogisch”, vindt Minke Knol, “bijna niemand kiest een school op basis van religieuze overtuiging. Je kiest op basis van pedagogische en didactische ideeën.”

Makkelijker

In het nieuwe wetsvoorstel is de ‘richting’ van een school niet langer de bepalende factor. Scholen op basis van een nieuw onderwijsconcept kunnen daardoor makkelijker starten. In plaats daarvan moeten initiatiefnemers meten hoe groot de belangstelling voor de nieuwe school is door marktonderzoek of ouderverklaringen. Als de Inspectie van het Onderwijs oordeelt dat de te verwachten kwaliteit in orde is, mag de school beginnen. Doet de school het slechter dan verwacht op gebied van kwaliteit en leerlingenaantallen, dan kunnen nieuwe scholen sneller gesloten worden dan onder de huidige wet.

De roep om makkelijker scholen op te richten klinkt al jaren: in 1996 en 2012 pleitte de Onderwijsraad al voor ‘richtingsvrije planning’. De toenmalige Tweede Kamer stond in 2014 sympathiek tegenover het plan en twee jaar later presenteerde staatssecretaris Sander Dekker een conceptwet. Afgelopen oktober diende minister Slob het wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer. Partijen spraken hun waardering uit, maar zitten nog met veel vragen: 315 vragen werden schriftelijk ingediend.

Vaart maken

Zo zijn meerdere partijen bezorgd dat het wetsvoorstel leidt tot versnippering, onderlinge concurrentie en het sluiten van bestaande scholen, zeker in krimpgebieden. Ook hebben ze vragen over de technische kant van de nieuwe procedure. Het ministerie verwacht de antwoorden in maart naar de Kamer te sturen. Dan kunnen de Kamerleden aanvullende vragen stellen, of het debat inplannen. Het is dus nog onbekend wanneer ze over de nieuwe wet gaan stemmen.

Minke Knol hoopt dat ze vaart maken. “Ik ga nu geen nieuwe aanvraag indienen omdat hij toch afgewezen wordt. Ik moet dus wachten. Hopelijk wordt de wet begin juni aangenomen. Dan kan ik vóór 1 november de aanvraag indienen en gaat de school in 2020 van start. Het onderwijs is niet meer passend bij deze tijd, dat kan heel anders. Nu moet alleen de wet nog komen.”